Dingen die ik schrijf.

Categorie: Verhalen (Pagina 1 van 2)

​Kleine Wolf

“De wolf vluchtte, maar hij had geen schijn van kans, want het wapen van de Grote Man knalde en de kogel doorboorde zijn schouder.”

Kleine Wolf beefde en kroop dichter tegen de zachte vacht van zijn moeder aan.

“Nog diezelfde avond liep de Grote Man rond met een wolvenvacht over zijn schouders en vanaf die dag noemde iedereen hem Jager. Want dat is de titel die de mensen geven aan de meest gewelddadige moordenaars.” Ze likte hem over zijn kop. “En dat is, mijn liefje, waarom je altijd goed verborgen moet blijven en nooit, nooit naar de bosrand mag gaan.”

Kleine Wolf jankte zachtjes en duwde zijn staart zo ver tussen zijn achterpoten als hij kon. Hij kende de regels. Wees stil als de maan. Eet geen prooi die niet meer warm is. Zoek de schaduwen op. En de belangrijkste, blijf zo ver mogelijk bij de mensen uit de buurt.

“Ik ga naar buiten, Kleine Wolf,” zei zijn moeder, “want het vlees is weer op.”

Kleine Wolf hield er niet van als zijn moeder naar buiten ging. Het was zo koud in zijn eentje in het hol en hij was bij elk geluidje bang dat het een mens was die hem uit zijn hol kwam roven. Zijn moeder had verteld dat hij zo snel mogelijk groot moest worden, zodat ze samen konden gaan lopen en de rest van hun familie terug konden vinden. Dus haalde zijn moeder steeds nieuw vlees en dat aten ze samen op. Kleine Wolf was al een heel stuk gegroeid en hij was al een paar keer zelf naar buiten gegaan, maar zijn moeder had hem terug naar binnen gestuurd. Hij was nog te klein, zei ze, en de mensen waren te gevaarlijk. Dus nu bleef Kleine Wolf in het hol en hield zich zo stil als de maan.

Het duurde lang voordat zijn moeder terugkwam met een lekkere haas. Ze schudde de sneeuw van haar vacht en duwde het eten met haar neus naar hem toe.

“Dit was het enige dat ik kon vinden, mijn liefje.” Ze keek hem aan. “Eet jij hem maar op. Morgen zal ik weer moeten gaan.”

Kleine wolf verscheurde enthousiast het vlees en hoorde nauwelijks wat zijn moeder zei. De haas was sappig, maar veel te snel op. Met zijn buikje goed gevuld viel hij in een diepe slaap en droomde dat hij door het bos rende en zelf een haas ving.

De volgende morgen kroop zijn moeder het hol uit en vond een dik pak sneeuw op de grond. Ze besnuffelde de lucht en kroop weer naar binnen.

“Het heeft gesneeuwd, kleintje,” zei ze. “Je moet echt in het hol blijven vandaag, anders kunnen mensen je sporen zien.”

Kleine Wolf legde gehoorzaam zijn kop op zijn poten en keek zijn moeder aan.

“Ik zal ver weg moeten gaan vandaag, misschien zelfs naar de bosrand.”

“De bosrand!” riep Kleine Wolf, “maar… maar daar zijn mensen!”

“Ik kan mij goed genoeg verstoppen. Geen enkele Jager zal me zien,” stelde zijn moeder hem gerust, maar Kleine Wolf jankte zachtjes, zelfs nadat zijn moeder zijn snuit en oren had gelikt.

Hij keek haar na toen ze het bos in liep en bleef kijken, lang nadat hij haar al niet meer kon zien. Hij wachtte. Zijn neus werd koud en zijn poten werden stijf, maar hij wachtte. Zijn mond werd droog en hij likte wat van de sneeuw die aan de rand van het hol lag. En hij wachtte. Hij tuurde tussen de bomen door en als hij hard genoeg tuurde, meende hij de wollige staart van zijn moeder te zien bewegen van boom naar boom.

Kleine Wolf schrok op toen hij harde knallen hoorde. Hij wist wat dit betekende. Mensen! In het bos! Kleine Wolf schoot diep het hol in en trilde over zijn hele lijf. Hij spitste zijn oren. Kwamen ze dichterbij? Hadden ze hem gevonden? Maar direct daarna kwam er een belangrijkere vraag in hem op. Waaróp hadden de mensen geschoten? Zijn moeder was daarbuiten!

Kleine Wolf rende het hol uit om zijn moeder te gaan helpen. Maar toen hij slechts een paar stappen buiten had gezet, klonk er weer een schot. Kleine Wolf kromp ineen en wist dat er niets was dat hij kon doen. Hij kon alleen maar hopen dat zijn moeder zich kon redden. Op dat moment haatte hij het dat hij nog zo klein was. Zijn moeder was er altijd om hem te beschermen, waarom kon hij hetzelfde niet terug doen? Hij beet hard op zijn tanden en dwong zichzelf om terug in het hol te gaan liggen. Hij gromde, al kon niemand hem horen. Hij hoopte zo hard als hij kon hopen dat hij zijn moeder naast zich zou vinden met een lekkere, dikke, warme ree.

Het was donker toen Kleine Wolf wakker werd. Koud. Hongerig. En vooral heel bang. Want zijn moeder was niet teruggekomen. Bij de ingang van het hol rook het sterk naar zijn moeder, maar de geur was niet vers. De maan scheen tussen de bomen door en Kleine Wolf huilde zo hard hij kon naar de maan, naar zijn moeder, naar de familie die ergens ver weg was maar hem misschien toch kon horen. Geen van hen huilde terug. Kleine Wolf was alleen. Hij huilde de rest van de nacht door, tot hij van uitputting weer in slaap viel. De volgende dag werd hij pas tegen de schemer wakker met buikpijn van de honger. Hij wist dat hij niet langer op zijn moeder kon wachten. Hij moest nu voor zichzelf gaan zorgen.

Hij had zijn moeder wel eens zien jagen. Luisteren, wachten, springen en rennen. Kleine Wolf probeerde het na te doen, maar elk muisje dat hij vond glipte vlak voor zijn tanden of zijn voorpoten weg. Pas aan het einde van de dag ving Kleine Wolf één klein muisje. Hij at het op in een hap en besloot te gaan slapen. Hij was doodmoe en had nog steeds buikpijn.

De volgende dag probeerde Jonge Wolf het opnieuw en nu leverde de jacht hem zeker drie kleine hapjes op. Maar hij werd zwak van de honger. Hij huilde zo lang en hard hij kon naar zijn moeder, maar ze gaf geen antwoord.

De dagen daarna werd Jonge Wolf steeds beter in jagen, maar hij moest steeds verder weg van het hol om prooi te vinden. Hij ving konijnen, eekhoorns, een grote haas en zelfs een keer een vosje, dat net zo mager was als hij. Want hoewel hij elke dag wel een paar dieren wist te vangen, bleef Jonge Wolf hongerig en mager. Hij was moe en verdrietig en bang dat hij tijdens de jacht mensen zou tegenkomen. Op een dag gebeurde precies dat.

Jonge Wolf moest steeds een beetje verder weg gaan van het hol om een prooi te vinden, zet zoals zijn moeder had gedaan. Hij liet sporen na in de nieuwe lagen sneeuw en op die ochtend stonden twee mensen bij zijn spoor. Een van hen knielde neer.

“Ik geloof niet dat dit van haar kan zijn, de sporen zijn vers.”

“Maar er zijn toch geen andere wolven in de buurt?” bracht de ander ertegenin.

“Tsja…” de man keek om zich heen.

Hij zei vast nog meer maar dat hoorde Jonge Wolf al niet meer, hij was hard weggerend. De volgende dagen zorgde hij ervoor dat hij juist de andere kant op liep om te gaan jagen.

Aan het eind van de winter smolt de sneeuw weg en Grote Wolf was gewend geraakt aan de pijn in zijn buik en zijn vermoeide poten. Hij liep op een morgen een lang stuk omdat hij dichterbij niets te eten kon vinden. Zijn tocht bracht hem ongemerkt bij de bosrand en langs een veld vol gele en blauwe bloemetjes: sneeuwklokjes, verschillende krokussen en zelfs een enkele narcis. Het kon Grote Wolf niet schelen, bloemetjes waren geen voedsel. Dwars door het bloemenveld liep een zandpad dat de mensen gebruikten en toen Grote Wolf dat pad zag, liet hij zichzelf meteen verdwijnen tussen de bomen. Zijn hart bonkte in zijn keel maar daarnaast hoorde hij nog iets, een geluid dat hij niet eerder had gehoord. Een mensenstem. Het klonk hoog en melodieus en lang niet zo eng als hij zich had voorgesteld.

“’k Ben niet bang voor de Boze Wolf, ‘k ben niet bang, ‘k ben niet bang…”

Grote Wolf keek langs een boom heen en wat hij zag verbaasde hem. Dit mens was klein. Kleiner dan hijzelf. Misschien was het nog niet volgroeid? Een jong. Zoals hij zelf een jong was toen ze zijn moeder doodden. Er ging geen dreiging uit van dit mens en hoewel de nekharen van Grote Wolf overeind gingen staan, wist hij dat hij het jong zou kunnen verslaan. Het vlees zou sappig smaken en het speeksel liep hem al in de mond. Maar dwars door zijn honger heen voelde Grote Wolf nu ook twee andere dingen. Nieuwsgierigheid naar dit kleine mens. En woede. De mensen hadden zijn moeder gedood, op haar gejaagd met hun knallende wapens en dat zou hij hun nooit vergeven. En hier was er dan een, eetbaar en onschadelijk. Hij kon wraak nemen. Misschien zou hij zelfs alle mensen een voor een verslinden en hun jongen ‘s nachts laten sidderen als ze aan hem dachten.

Grote Wolf wilde juist zijn prooi bespringen toen het mensenjong weer sprak.

“’k Zal eens zien of… of….” Even was het stil. “’k Zal eens zien of… Hè, hoe zei Grootmoeder nou toch dat het ging?”

Een Grootmoeder? Was dat een van de Grote Jagers? Grote Wolf keen om zich heen maar hij zag geen andere mensen. Voor de zekerheid wachtte hij tot het jonge mens langs hem was gelopen en sloop achter haar donkergele wapperende mantel aan, snuffelend om erachter te komen of hij meer mensengeuren kon vinden.

Hoewel hij stil was als de maan, draaide het mens zich om zodra hij een poot op het pad plaatste.

“O, goedemorgen,” klonk het hoge stemmetje.

Ze rende niet weg. Ze pakte geen wapen om op hem te schieten.

“Ahem. Goedemorgen,” sprak hij terug.

“Ik ben op weg naar mijn grootmoeder. Ze is ziek en ik ga haar wat lekkers brengen.”

Dat was interessant. De Grote Moeder was ziek en verzwakt? Grote Wolf wilde meer weten.

“Zo, dan ben je een zorgzaam jong.”

Hoog gelach kietelde zijn oren. “Een jongen? Nee hoor, ik ben een meisje.”

Wel, dat kon hij niet ruiken.

“Goed, meisje. Waar woont de Grote Moeder die nu zo ziek is?”

“In het kleine witte huisje aan het einde van dit pad. Het loopt over de brug, dan links bij de grote eiken en dan zie je het al bijna tussen de bomen staan.”

“Aha. Wel. En zijn er geen andere mensen bij haar?”

“Nee, niemand,” sprak het meisje, “daarom ga ik juist naar haar toe. Ze zal heel blij zijn met de koekjes en de wijn, denk je niet?”

“Vast wel. Goed, ik moest maar eens gaan.”

“En bloemen! Ze houdt ook heel veel van bloemen!” riep het meisje uit. “Zal ik…”

“Zeker doen!” moedigde Grote Wolf haar aan. Nu hij wist waar het meisje heen zou gaan, kon hij nog wel even wachten met haar op te eten. Hij had zijn zinnen nu gezet op de verzwakte Grote Jager. Dan kon hij zijn moeder eindelijk wreken.

Hij wenste het meisje nog een goede dag en raadde haar aan goed te zoeken naar de mooiste bloempjes, voor ze verder zou lopen.

Ze bukte zich om naar de bloempjes te kijken en hij haastte zich het pad af dat het meisje had beschreven. Hij vond het witte huisje snel en zijn neus vertelde hem dat er meerdere mensen hier waren geweest, maar die waren nu niet aanwezig. Er was er nu maar een. En die rook muf, oud en ziek. Met een soepele sprong liet hij zichzelf door het raam naar binnen. Daar vond hij de Grote Moeder in bed en zijn honger en wraaklust laaiden op. Hij verspilde geen seconde, gaf haar niet de tijd om een wapen te pakken, maar vrat haar op met huid en haar. Ze had nauwelijks de tijd om te gillen en dat was maar goed ook, want Grote Wolf wilde het meisje – zijn prooi die zelf naar hem toe kwam – niet verjagen.

Het oude mens was taai geweest, maar het was de grootste prooi die hij ooit gegeten had. Voldaan liet hij zich op het bed vallen waar ze zojuist nog had gelegen. Als hij eerder had geweten dat Grote Jagers zo makkelijk te verslaan waren, was hij er nooit zo bang voor geweest.

Niet veel later klonk er een zacht gerinkel van buiten het huis. Grote Wolf had geen idee wat het betekende, dus hij spitste zijn oren. Nog een keer klonk het gerinkel, gevolgd door een bekende stem.

“Grootmoeder? Bent u daar?”

“Ja,” zei Grote Wolf zo hoog als hij kon.

Het meisje duwde de deur open en schrok toen ze de wolf zag. Grote Wolf trok de deken op het bed hoog op, tot over zijn neus. Toen pas durfde het meisje dichterbij te komen.

“U bent wel erg ziek, denk ik, grootmoeder. U klinkt heel anders en u ziet er ook niet zo goed uit. Maar ik heb een mandje met lekkers meegenomen, dan knapt u vast gauw weer op.”

Grote Wolf zei niets. Het meisje kwam nieuwsgierig dichterbij.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote oren.”

“Dan kan ik jou beter horen.” Jou, en mijn andere prooien.

Het meisje dacht er even over na en knikte toen.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote ogen.”

“Dan kan ik je beter zien.” Jou, en alle andere gevaren.

Ze kwam nog dichterbij en trok de deken naar beneden.

“Maar grootmoeder, wat heeft u grote tanden!”

“Dan kan ik je beter opeten!” Jou, en alle andere mensen.

Met die woorden sprong Grote Wolf uit het bed. Hij greep met zijn klauwen het meisje beet en verslond haar in één grote hap.

Nog nooit in zijn leven had Grote Wolf zoveel gegeten. Nog nooit sinds zijn moeder was gedood had hij een moment gekend zonder de knagende honger die zijn buik deed rommelen. En nog nooit had Grote Wolf zich zo rozig en voldaan gevoeld. Dat bed met de warme deken van de Grote Moeder had zo lekker gelegen en Grote Wolf wilde niets liever dan even slapen. Zijn ogen heel even dichtdoen. Nauwelijks had hij zijn zware lijf het bed op gesleept of hij viel in een diepe slaap. Hij droomde van een gevecht tussen hem en een Grote Jager. Het begon als een spannend gevecht: de Grote Jager met zijn knallende wapen tegen Grote Wolf met zijn sterke klauwen en scherpe tanden. Maar Grote Wolf wist nu dat hij Jagers wel aan kon. Dat niet de mensen, maar hij zelf het gevaarlijkst was. Langzaam werd de Grote Jager kleiner en kleiner tot Grote Wolf hem onder een voorpoot verpletterde. In zijn droom gromde Grote Wolf en in zijn slaap gromde zijn lichaam mee.

Hij gromde zo hard, dat de Jager die juist voorbij het hutje van grootmoeder liep, het duidelijk kon horen. De Jager wist dat oude vrouwtjes vaak wel snurken, maar toch niet zó hard, dus hij besloot voor de zekerheid een kijkje te nemen. Door een kier in de gordijnen zag hij Grote Wolf in het bed van grootmoeder liggen en de Jager wist wat hem te doen stond. Terwijl de Wolf in een diepe slaap was, knipte hij de uitpuilende buik van het beest open. Hij was verbaasd toen hij naast het lichaam van grootmoeder, ook nog het lichaam van haar kleindochter vond. En nog verbaasder toen hij merkte dat het meisje nog ademde. Ze zat onder de krassen van de nagels van de Wolf. Ze was ook bewusteloos, maar ze ademde toch echt. Helaas kon hetzelfde niet worden gezegd van grootmoeder. De Jager wist hoe het dorp voorgoed verlost kon worden van het enge beest: hij vulde het grote gat in de buik van de wolf met zware stenen. Zo zou hij waarschijnlijk niet meer kunnen lopen, laat staan jagen. Toen dit nare karweitje klaar was, tilde hij voorzichtig de lichamen van grootmoeder en Roodkapje op en bracht hen terug naar het dorp.

Grote Wolf was door dit alles heen geslapen. Maar uiteindelijk werd hij wakker. En hij had buikpijn, ongelooflijk veel buikpijn, erger dan zijn honger ooit had gevoeld. Hij sleepte zichzelf het bed uit, het huisje uit, maar elke stap deed een vurige flits van pijn door zijn lijf gaan. Hij voelde en hoorde dingen schuren en bonken in zijn maag. Dat hoorde niet, wist hij diep van binnen. Hij liet zijn neus langs zijn buik gaan en merkte de lange snee op die zijn hele lijf volgde. Hij likte eraan en proefde bloed. Nog een paar wankele stappen kon hij zetten, maar toen liet hij zich zo zacht mogelijk neerploffen op de grond. Voor zijn geestesoog verscheen zijn moeder. Ze liep naar hem toe en het beeld werd scherper. Ze besnuffelde hem.

“O, mijn Kleine Wolf, wat heb je gedaan?”

“Ik heb een Jager verslonden, moeder,” hijgde Grote Wolf.

Zijn moeder besnuffelde hem verder en likte aan zijn wond. Ze jankte zachtjes.

“O, mijn zoon, een mens is je te slim af geweest. Ik heb je toch altijd gezegd dat je ver bij de mensen vandaan moet blijven?”

Grote Wolf was blij de stem van zijn moeder te horen, maar wat ze zei hoorde hij nauwelijks.

“Ik heb wraak genomen omdat de mensen jou hebben gedood. Maar nu heb ik zo’n buikpijn…”

“Mij gedood? Nee, lieve zoon, dat hebben de mensen niet. Ik ben hier. Die koude winterdag dat ik ver weg moest gaan om eten voor ons te zoeken, kwam ik met mijn poot terecht in een klem van een Jager, die mijn poot brak. Ik kon niet ontsnappen en door de kou raakte ik buiten bewustzijn. Ik zou vast zijn doodgevroren als ik niet was gevonden door twee aardige mensen die voor me zorgden en mijn pot hielpen genezen. Ze lieten me gaan toen ik weer goed kon lopen en sinds die tijd ben ik op zoek naar jou. Maar ik ben te laat gekomen.”

Grote wolf hoorde slechts dat zijn moeder over mensen praatte. “Ik kan je beschermen tegen de mensen.”

Zijn moeder keek hem even aan en jankte weer. Ze wist dat ze niets meer kon doen voor haar zoon, dus ging ze naast hem op de grond liggen om zijn stervende lichaam warm te houden. Nog een paar keer hoorde ze hem dingen mompelen.

Zijn lijf begon te trillen.“De winter is zo koud.”

Hij sloot zijn ogen. “De Grote Moeders zijn het gevaarlijkst.”

Een enkele traan kwam tussen zijn oogleden door. “Ik heb elke avond om je gehuild.”

Zijn mond zakte open. “Ik zou wel een knallend wapen kunnen eten.”

Zijn poten verslapten en zijn ademhaling werd steeds oppervlakkiger. Tot hij ineens een diepe zucht slaakte.

Met zijn allerlaatste adem sprak Grote Wolf: “Ren moeder, voordat de Jager ons vindt.”

Eeuwige Dorst

Thomas wist al sinds het moment dat zijn eerste coherente, zelfbewuste gedachte in zijn hoofd verscheen – het jaar was 1726 en Thomas, toen nog luisterend naar de naam Cornelis, was 6 jaar oud – dat hij de emoties van anderen in zijn nabijheid nodig had om zich te voeden.

Voedsel at hij, om straf van zijn vader te ontlopen en niet omdat zijn lichaam zelf het nodig had. Hij voedde zich liever met de ongerustheid van zijn moeder en de boosheid van zijn vader wanneer hij ervoor koos om niet te eten. Zijn achterwerk was het echter niet geheel eens met dat sentiment en dus at Cornelis zijn bord leeg, net traag genoeg om lichte irritatie op te wekken.

Hij speelde graag met zijn broertje en zusjes of met vriendjes uit de straat: de vreugde die spel hen bracht was voor hem een smakelijke maaltijd die nooit zwaar op de maag lag. Zodra het spel over de zenit van plezier heen was, was het steevast Cornelis die chaos en venijn tussen de kinderen inbracht.

Na zijn ontsluierende inzicht in zijn eigen systeem trok onze protagonist de conclusie dat er een duivel danwel demon bezit van hem had genomen en zijn ziel eerst verteerd zou worden door de beheersende geest en daarna voor eeuwig zou branden in het hellevuur. Nachtmerries volgden tot hij, wegkwijnend door angst en slaaptekort, zijn moeder fluisterend smeekte om een biechtvader erbij te halen. Wat ze prompt deed. De priester hoorde hem aan maar vatte zijn relaas op als een delier, veroorzaakt door voedseltekort en koorts. Hij raadde de verwarde ouders aan om hun zoon een paar dagen flink stevige pap en stamppot te laten eten.

Cornelis leerde omgaan met zijn zielsangst en functioneerde, van buitenaf bezien, als een gezonde jongeling. Zijn ouders waren zelfs licht verrast toen hij aankondigde het klooster in te willen. Het was voor hem een poging om in het reine te komen met het gitzwarte roet dat zijn bestaan bevlekte, maar hoe kon hij hen dat ooit uitleggen? Ze lieten hem gaan. Toen Cornelis in 1739, aan het eind van zijn noviciaat werd gevraagd zijn geloften af te leggen, verliet hij het klooster zonder antwoorden en existentieel uitgedroogd. De tijd in het klooster had hem wel gelegenheid geboden om bij zichzelf te rade te gaan wat hij nu eigenlijk van zijn leven verlangde, gezien zijn uitzonderlijke dispositie.

Cornelis meldde zich aan als soldaat en vocht hartstochtelijk in menig veldslag, vaak met een dronken euforie in het strijdgewoel die zijn krijgsmakkers in gelijke mate inspireerde en verontrustte. Nu eens tegen de Pruisen, dan tegen de Engelsen, Fransen of Beieren liet de jonge man zich meevoeren met de geruststellende gedachte dat in al deze woelige stormen van affecten hij wel onoverwinnelijk moest zijn. Die enkele keer dat een kogel of steekwapen zijn lichaam schade berokkende, zoog hij alle wanhoop, woede, doodsangst en spijt van zijn kameraden en vijanden op totdat de wonden zich vanzelf sloten. Het was niet dat hij de andere soldaten hun ellende gunde, een misantroop was of een sadist, het was puur de levenskracht die hem vervulde die hem de naam gaf plezier te hebben in het lijden van anderen. Hij wisselde regelmatig van compagnie of zelfs van bataljon zodat hij al te ingewikkelde vragen kon vermijden. Los van de vragen over zijn gemoedstoestand op het veld omvatte dat ook vragen over zijn eetpatroon en vragen over zijn leeftijd. Immers, na zo’n 98 jaar op de aarde rond te hebben gelopen, zag hij er nog steeds uit als een jonge vent. Toch voelde hij zelf dat hij de jaren meedroeg. Ondanks het persona dat hij om zich heen had opgebouwd ging de ellende en het verlies in een oorlog hem niet in de koude kleren zitten. Hij zegde zijn soldatenbestaan dan ook vaarwel halverwege de Belgische Revolutie, inmiddels onder de naam Gerrit, met de respectabele leeftijd van 110 jaar.

Gerrit bezocht enthousiast operettes, melodramatisch theater en circussen, werkte kortstondig als schout en als bordeelhouder, maar niets kon hem lang interesseren. Hij stond bekend in zijn omgeving als een waaghals en een ruziezoeker, hoewel hij er altijd voor wist te zorgen dat hij zelf buiten het gevecht bleef. Hoewel menselijk voedsel geen noodzaak was om de vitale organen van zijn lichaam in hun energie te voorzien, schuwde Gerrit alcoholische intoxicatie niet. Hij maakte late avonden in de huiskamerkroeg in zijn straat en op een van die avonden ving hij een gesprek op over een expeditie die binnenkort zou vertrekken naar Afrika, om contact te leggen met onontdekte inheemse bevolkingsstammen en waar mogelijk ook nieuwe zieltjes te winnen voor het christendom. Met nog altijd een overweldigende angst voor de gevolgen van zijn bestaan na zijn overlijden, leek dit Gerrit een uitgelezen kans om wat er over was van zijn eigen ziel te redden. Hij had geen idee hoelang hij nog in dit bestaan zou rondlopen – zijn inmiddels sterk gedateerde lichaam vertoonde nog altijd geen sporen van ouderdom – maar hij vermoedde dat er toch een dag zou komen dat hij zich aan de hemelpoort zou moeten verantwoorden. Hij zocht een contactpersoon op, blufte zich door een vragenvuur heen en werd aangenomen als Afrika-deskundige op deze missie.

Hij verwachtte verlichting te voelen van zijn zware hart, zo niet door de morele consequenties van zijn zendingswerk als wel door de frisse smaken van exotische gemoedstoestanden, maar zijn verwachting werd niet vervuld. Menselijke sentimenten en stemmingen bleken mondiaal universeel en hoewel zijn gezelschap meerdere hoofdmannen en zelfs een medicijnman wist te bekeren, voelde Gerrit zich nadien niet anders. Toch besloot hij bij terugkomst in 1848 om meer van dergelijke tochten te ondernemen, omdat de belevenissen onderweg, en vooral het effect op zijn kompanen, zijn dorst voldoende leste. Daarnaast bracht het ontdekken van nieuwe culturen en gebruiken vooral een welkome afwisseling. Humanitaire hulpverlening kwam intussen in zwang en er werden weinig vragen gesteld aan vrijwillige participanten. Rampen waren er te over. Gerrit wisselde in anderhalve eeuw nog diverse malen van aanspreeknaam. Hiervoor was het in toenemende mate nodig om zich te bekwamen in het vervalsen van persoonsgegevens, een vaardigheid die hij zorgvuldig bijhield. Toch was elke naamsverandering een nieuwe trede in de ontkoppeling van zijn identiteit en gehechtheid aan het leven.

Ergens in de afgelopen jaren had hij zich het persona Thomas aangemeten, een tobbende jonge man die rustig in een hoek zat van een sportcafé tijdens de belangrijke wedstrijden, meeliep in eender welke demonstratie, zich oplaadde bij elke horrofilm en wist dat het tijd werd om een bruiloft te verlaten bij het horen van zijn signaal: “Wacht, ik dacht dat hij van jouw kant was?”

Veel meer dan dat had hij niet. Thomas was moe tot in zijn botten, hij wilde na 295 jaar wel eens met pensioen. Hij kende de grote ellende van het leven door en door, alsook de kleine geneugten. Hij wenste rustig in een comfortabele stoel te kunnen zitten en met kleine teugjes goede gesprekken te voeren. Het werd tijd dat mensen eens naar hem toekwamen om hem te voeden met hun affecten, in plaats van dat hij overal op zoek moest gaan. Het werd tijd voor een rustige fase voor een emotievampier. En met die gedachte kreeg Thomas een nieuw idee.

Hij werd therapeut.

Muisje Sylvia

Muisje Sylvia is alleen. Andere muisjes leven samen in een familie. Maar Muisje Sylvia heeft geen familie meer. Ze heeft niemand waar ze bij hoort. Ze zou wel aan kunnen sluiten bij een andere muizenfamilie, maar wat als ze dan zeggen: “Je oren zijn te groot. Dus hoor je niet bij ons.” Of: “Weg jij! Je tanden zijn te lang en je staart is te roze!” Nee, dat zou Muisje Sylvia niet willen. Dus hoort ze nergens bij en is ze alleen. Muisje Sylvia moet zelf haar eten bij elkaar scharrelen. En uitkijken voor de honden en de katten. Muisje Sylvia kan het alleen, maar ze voelt zich wel een beetje eenzaam.

Op een dag komt Nelleke uit ‘t Veld langs het holletje van Muisje Sylvia. Ze is een kleine en dikke vrouw, met felgekleurde kleren en een grote glimlach op haar gezicht. Iedereen noemt haar Tante Nel omdat ze een beetje familie is van iedereen. Tante Nel hoort overal bij. Nu is ze op weg om boodschappen te doen en ze zwaait enthousiast naar alle mensen die ze kent. Uit haar tas vallen een paar broodkruimels die erin waren blijven zitten toen Tante Nel de vorige keer boodschappen deed. Zo snel en stil als ze kan, trippelt Muisje Sylvia haar holletje uit, pakt de kruimeltjes en glipt haar holletje weer in. Tante Nel heeft het gezien.

Als ze even later de winkel uit komt, strooit Tante Nel wat kruimeltjes voor het holletje van Muisje Sylvia. Zodra die haar neusje uit het holletje steekt, zegt Tante Nel: “Hallo daar, kleintje! Wie ben jij?”

Muisje Sylvia durft niets te zeggen. Maar haar buikje knort van de honger en ze wil toch wel heel graag die broodkruimeltjes voordat een ander dier ze pakt. Tante Nel blijft zitten op een manier die duidelijk maakt dat ze alle tijd heeft en voorlopig nog niet van plan is om weg te gaan. Dus uiteindelijk zegt Muisje Sylvia haar naam.

“Mijn naam is Nelleke. Maar iedereen noemt mij Tante Nel, omdat ik van iedereen een beetje familie ben.”

“Niet van mij hoor,” zegt Muisje Sylvia. “Ik heb geen familie.”

Tante Nel denkt even na. “Dat is wel heel verdrietig, Muisje Sylvia. Zou je familie van mij willen worden?”

Muisje Sylvia begint haar hoofd al te schudden, want dat kan natuurlijk niet. Toch? Maar waarom vraagt Mevrouw Nelleke dat dan?

“Hoe…” begint ze. “Hoe word je familie van iemand anders, als je zo verschillend bent?”

Daar moet Tante Nel om lachen. “Dat maakt helemaal niets uit! Ik heb thuis een groot bed, voor mij, maar ik heb ook plek voor een piepklein muizenbedje. Ik heb grote borden voor de mensen, kleine borden voor de kinderen en dopje waar een muisje van kan eten, zoveel ze maar zou willen. Familie betekent dat je bij elkaar hoort omdat je van elkaar houdt en omdat je zorgt voor elkaar. Niet omdat je precies alles hetzelfde doet.”

Dat klinkt Muisje Sylvia wel goed in de oren.

“Zal ik je het laten zien?” vraagt Tante Nel.

Muisje Sylvia mag op de schouder van Tante Nel zitten en zo gaan ze naar haar huis. Het is precies zoals Tante Nel had gezegd. In een klein holletje in het huis past precies een klein warm bedje. Tante Nel vouwt heel snel een muizentrapje naar de tafel en legt er een klein dopje op met een klein stukje kaas. Samen bedenken ze dat er in een kier in de muur een deurtje zou passen voor een muisje.

“Mevrouw Nelleke,” zegt Muisje Sylvia, “ik zou hier best willen blijven.”

“Jij mag best blijven,” zegt Tante Nel, “en je mag me ook Tante Nel noemen, als je wilt. Je mag in het holletje slapen en zoveel eten als je wilt.”

Muisje Sylvia denkt even na. “Tante Nel, je zei dat familie voor elkaar zorgt. Ik kan ook voor jou zorgen. Ik kan draadjes doorbijten als je iets moet naaien. Ik kan schoonmaken in de allerkleinste hoekjes. Ik kan kleine verhaaltjes vertellen als je je verveelt en ik kan met mijn grote oren heel goed luisteren als je verdrietig bent.”

Daar is Tante Nel natuurlijk heel blij mee. Muisje Sylvia blijft bij haar wonen en ze zijn allebei heel blij met elkaars gezelschap.

De Jager en de Harpleeuwerik

Lang geleden leefde er in een klein dorpje aan de rand van een groot bos een jager. Hij was de beste jager van het hele land. Geen hert kon aan zijn pijlen ontkomen, menig everzwijn had zijn laatste adem uitgeblazen door zijn toedoen en hij droeg een veer op zijn hoed van elke vogelsoort uit het bos. Elke vogelsoort… behalve één.

De harpleeuwerik woonde diep in het woud. Hoewel zijn verendek opvallend was, met felblauwe punten aan de vleugels en een lange, goudoranje staart, had bijna niemand de vogel ooit gezien. Zelfs de mensen die zich vaker in het diepe woud bevonden, konden de vogel niet beschrijven. De harpleeuwerik kon met zijn gezang namelijk mensen betoveren en ze hypnotiseren zodat ze pardoes omkeerden en terugliepen.

De jager had de harpleeuwerik al vaak gehoord en één keer zelfs een glimp opgevangen van zijn blauwe en goudoranje veren, maar hij had nog nooit een harpleeuwerik kunnen vangen.

Op een dag liep de jager weer door het diepe woud. Hij dacht aan hoe graag hij een harpleeuwerik wilde vangen en hoe mooi een staartveer op zijn hoed zou staan. Hoe graag hij het wilde. Hoe mooi het zou zijn. Zó diep in gedachten liep de jager rond dat hij het gefluit van de vogel niet eens opmerkte. Toen hij het eindelijk hoorde was het al te laat en liep hij gehypnotiseerd het bos uit.

De volgende dag verliep net zo, want nu wilde de jager nóg liever de vogel vangen. Ook deze dag dacht de jager alleen maar diep na en hoorde hij de harpleeuwerik niet zingen. Ook deze dag liep hij het bos zomaar weer uit.

Toen bedacht de jager iets slims. Hij kneedde een beetje was tot het zacht was en stopte een stukje in zijn oren. Zo zou hij het hypnotiserende gefluit niet horen en zou hij eindelijk de harpleeuwerik kunnen vangen. De volgende dag sloop hij langzaam het bos in – extra voorzichtig omdat hij zelf niet kon horen als hij een takje brak of op een andere manier geluid maakte.

In het diepst van het woud nam de jager zijn boog van zijn schouder en legde een pijl aan. Hij keek aan alle kanten om zich heen en sloop stap voor stap verder. Hij keek links en rechts, voor en achter, hoog en laag… en daar, op een hoge tak van een dikke eik zag hij de vogel zitten. Hij zag het blauw van de vleugels en de goudoranje staart. De vogel was prachtig. De jager richtte zijn pijl en keek langs de schacht recht naar de vogel. Hij kon zien dat de vogel floot en zenuwachtig op zijn tak heen en weer wipte, omdat dit duidelijke gevaar niet wegliep, zoals alle anderen. De jager hield zijn adem in. Hij trok één vinger los van de boogpees. Maar niet de andere. Hij keek naar de harpleeuwerik. De vogel keek terug. Zo bleven ze een hele tijd staan.

Uiteindelijk zuchtte de jager en ontspande zijn boog. Hij kon het niet. Met de was nog in zijn oren ging hij tegen een boom zitten en dacht na over wat er gebeurd was. Hij, die al zoveel dieren had gedood, die de beste jager van het land was en die een veer van elke vogelsoort uit het bos op zijn hoed droeg, had vandaag niet geschoten. Hij wist dat hij de harpleeuwerik had kunnen raken. Dus waarom had hij het niet gedaan?

Vanuit zijn ooghoek zag de jager iets blauws. Hij keek en zag dat de vogel naar een lagere tak was gevlogen. De harpleeuwerik was echt het mooiste dier dat hij ooit had gezien. Nog even later vloog de vogel zelfs naar de grond en bleef daar even zitten. Hij bekeek de jager nieuwsgierig en de jager realiseerde zich dat de harpleeuwerik ook nog nooit een mens van dichtbij had gezien. Nu de jager wist dat hij nooit op een harpleeuwerik kon schieten en hij de vogel goed had kunnen zien, haalde hij de stukjes was uit zijn oren. Hij vond het nu niet meer erg als hij gehypnoteseerd zou worden door het gezang van zo’n mooie vogel.

De harpleeuwerik bleef nog even zitten en fladderde toen weg. Waar hij zojuist had gezeten lag er een prachtige, lange, goudoranje staartveer op de grond. De jager pakte de veer op en nam hem mee naar huis. Daar haalde hij een voor een alle veren van zijn hoed af en stak alleen de goudoranje staartveer er op.

Hij vertelde nooit aan iemand zijn geheim van de was. Hij vertelde nooit aan iemand dat hij de vogel niet gevangen had. En hij vertelde nooit aan iemand waarom hij kort daarna zijn boog verkocht en als troubadour het land door trok.

Kabouters komen uit spruitjes

Ja, ik weet wel dat iedereen de verhalen heeft gehoord over hoe ‘kindjes in de buik van hun Mama groeien’. En nee, natuurlijk gelooft niemand meer in ooievaars die met roze, huilende pakketjes rondvliegen. Maar ken je ook het verhaal van kindjes die in de kool groeien? En weet je dan ook waar dat verhaal vandaan komt? Dat komt door de spruiten.

Spruitjes lijken net heel kleine kooltjes en dat is niet zo vreemd want het zijn ook daadwerkelijk kleine kooltjes. In elk spruitje groeit een piepklein kaboutertje. Een kabouterbaby, zou je kunnen zeggen. Met een piepklein puntmutsje op. Met piepkleine kabouterklompjes aan. En als het een jongetje is, dan ook met een piepklein kabouterbaardje.

Als de spruit rijp is om geoogst te worden, is de kabouter groot genoeg gegroeid. Dan springt hij het spruitje vlug uit. De spruit gaat dan weer dicht, wordt in grote kisten of zakken gedaan en naar de winkel vervoerd. Vanuit de winkel komt het in je keuken en belandt op je bord.

Soms, heel soms, is de kabouter in slaap gevallen en heeft niet gemerkt dat hij uit de spruit had moeten springen. Luister dus altijd even goed voordat je een spruitje opeet, of je niet iemand zachtjes hoort snurken daarbinnen…

« Oudere berichten

© 2021 Lezensvatbaar

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑