Een duif was verdrietig omdat hij maar een simpele duif was. Niemand draaide zijn hoofd om, om nog eens een keer goed naar hem te kijken. Niemand glimlachte bij het horen van zijn gezang. Niemand stak zijn arm uit in de hoop dat juist hij op de hand zou neerstrijken. De duif was alles behalve bijzonder. Hij was grijs. En saai. Hij viel voor niemand op.

Op een dag was er een papegaai ontsnapt uit zijn kooi. Hij vloog door de straten en iedereen zag hoe bijzonder de papegaai was. Mensen draaiden hun hoofd om en zeiden “hee, zag je dat?” of probeerden de aandacht van de papegaai te krijgen. Hoewel niemand de duif zag, zag de duif dit allemaal. Hij bewonderde de mooie papegaai met zijn rood-blauw-groene verendek en hij voelde heftige, bijna pijnlijke steken van jaloezie. Als hij zo mooi was als de papegaai, zou iedereen ook naar hem kijken.

De papegaai werd weer gevangen maar de duif kon zijn prachtige kleuren maar niet vergeten. In het park waar de duif woonde lieten mensen een zakje M&M’s liggen. De duif vloog ernaartoe en at alle rode, blauwe en groene pinda’s op. Hij at hapjes van een aardbei die was weggerold en van een smurfenijsje dat was gevallen. Aan het einde van de dag zag hij dromerig in het gras te pikken.

Zo ging het vanaf die dag elke dag. De duif keek wat de mensen in het park aan eten lieten liggen en pikte daar de rode, de blauwe en de groene dingen uit. Hij werd heel goed in van een afstandje zien wat mensen aten. Hij werd ook heel goed in stiekem stukjes eten meenemen, want de mensen zagen hem toch niet.

Op een dag vloog de duif weer een boom in bij het park toen hij ineens hoorde roepen: “hee, zag je dat?” Hij keek om zich heen om te zien of de papegaai er weer was. Maar nergens zag hij het mooie rood-blauw-groene verendek dat hij zo bewonderde. De duif vloog naar een prullenbak waar iemand een frambozensnoepje in had gegooid. Ineens kwam er een klein kindje aanrennen dat naam hem wees en riep: “Mama! Mama! Kijk eens! Mooi hè?” De duif vloog geschrokken weg en voelde zich verward. Had het kind het over hem gehad? De duif vloog naar de rand van het park en ging zitten op een hoge tak. Nog steeds zag hij de papegaai nergens.

Die avond begon het te regenen. De duif vloog naar beneden om wat te drinken uit een regenplas. Daar zag hij niet het spiegelbeeld dat hij gewend was, van een saaie, grijze duif. Hij zag veren die zo rood waren als aardbeien, zo blauw als snurfenijsjes en zo groen als veldsla!

Die avond zat iedereen verscholen voor de regen, maar de duif vloog trots rond. En iedereen kon hem horen zingen.