Lezensvatbaar

Dingen die ik schrijf.

Categorie: Verhalen

De Jager en de Harpleeuwerik

Lang geleden leefde er in een klein dorpje aan de rand van een groot bos een jager. Hij was de beste jager van het hele land. Geen hert kon aan zijn pijlen ontkomen, menig everzwijn had zijn laatste adem uitgeblazen door zijn toedoen en hij droeg een veer op zijn hoed van elke vogelsoort uit het bos. Elke vogelsoort… behalve één.

De harpleeuwerik woonde diep in het woud. Hoewel zijn verendek opvallend was, met felblauwe punten aan de vleugels en een lange, goudoranje staart, had bijna niemand de vogel ooit gezien. Zelfs de mensen die zich vaker in het diepe woud bevonden, konden de vogel niet beschrijven. De harpleeuwerik kon met zijn gezang namelijk mensen betoveren en ze hypnotiseren zodat ze pardoes omkeerden en terugliepen.

De jager had de harpleeuwerik al vaak gehoord en één keer zelfs een glimp opgevangen van zijn blauwe en goudoranje veren, maar hij had nog nooit een harpleeuwerik kunnen vangen.

Op een dag liep de jager weer door het diepe woud. Hij dacht aan hoe graag hij een harpleeuwerik wilde vangen en hoe mooi een staartveer op zijn hoed zou staan. Hoe graag hij het wilde. Hoe mooi het zou zijn. Zó diep in gedachten liep de jager rond dat hij het gefluit van de vogel niet eens opmerkte. Toen hij het eindelijk hoorde was het al te laat en liep hij gehypnotiseerd het bos uit.

De volgende dag verliep net zo, want nu wilde de jager nóg liever de vogel vangen. Ook deze dag dacht de jager alleen maar diep na en hoorde hij de harpleeuwerik niet zingen. Ook deze dag liep hij het bos zomaar weer uit.

Toen bedacht de jager iets slims. Hij kneedde een beetje was tot het zacht was en stopte een stukje in zijn oren. Zo zou hij het hypnotiserende gefluit niet horen en zou hij eindelijk de harpleeuwerik kunnen vangen. De volgende dag sloop hij langzaam het bos in – extra voorzichtig omdat hij zelf niet kon horen als hij een takje brak of op een andere manier geluid maakte.

In het diepst van het woud nam de jager zijn boog van zijn schouder en legde een pijl aan. Hij keek aan alle kanten om zich heen en sloop stap voor stap verder. Hij keek links en rechts, voor en achter, hoog en laag… en daar, op een hoge tak van een dikke eik zag hij de vogel zitten. Hij zag het blauw van de vleugels en de goudoranje staart. De vogel was prachtig. De jager richtte zijn pijl en keek langs de schacht recht naar de vogel. Hij kon zien dat de vogel floot en zenuwachtig op zijn tak heen en weer wipte, omdat dit duidelijke gevaar niet wegliep, zoals alle anderen. De jager hield zijn adem in. Hij trok één vinger los van de boogpees. Maar niet de andere. Hij keek naar de harpleeuwerik. De vogel keek terug. Zo bleven ze een hele tijd staan.

Uiteindelijk zuchtte de jager en ontspande zijn boog. Hij kon het niet. Met de was nog in zijn oren ging hij tegen een boom zitten en dacht na over wat er gebeurd was. Hij, die al zoveel dieren had gedood, die de beste jager van het land was en die een veer van elke vogelsoort uit het bos op zijn hoed droeg, had vandaag niet geschoten. Hij wist dat hij de harpleeuwerik had kunnen raken. Dus waarom had hij het niet gedaan?

Vanuit zijn ooghoek zag de jager iets blauws. Hij keek en zag dat de vogel naar een lagere tak was gevlogen. De harpleeuwerik was echt het mooiste dier dat hij ooit had gezien. Nog even later vloog de vogel zelfs naar de grond en bleef daar even zitten. Hij bekeek de jager nieuwsgierig en de jager realiseerde zich dat de harpleeuwerik ook nog nooit een mens van dichtbij had gezien. Nu de jager wist dat hij nooit op een harpleeuwerik kon schieten en hij de vogel goed had kunnen zien, haalde hij de stukjes was uit zijn oren. Hij vond het nu niet meer erg als hij gehypnoteseerd zou worden door het gezang van zo’n mooie vogel.

De harpleeuwerik bleef nog even zitten en fladderde toen weg. Waar hij zojuist had gezeten lag er een prachtige, lange, goudoranje staartveer op de grond. De jager pakte de veer op en nam hem mee naar huis. Daar haalde hij een voor een alle veren van zijn hoed af en stak alleen de goudoranje staartveer er op.

Hij vertelde nooit aan iemand zijn geheim van de was. Hij vertelde nooit aan iemand dat hij de vogel niet gevangen had. En hij vertelde nooit aan iemand waarom hij kort daarna zijn boog verkocht en als troubadour het land door trok.

Kabouters komen uit spruitjes

Ja, ik weet wel dat iedereen de verhalen heeft gehoord over hoe ‘kindjes in de buik van hun Mama groeien’. En nee, natuurlijk gelooft niemand meer in ooievaars die met roze, huilende pakketjes rondvliegen. Maar ken je ook het verhaal van kindjes die in de kool groeien? En weet je dan ook waar dat verhaal vandaan komt? Dat komt door de spruiten.

Spruitjes lijken net heel kleine kooltjes en dat is niet zo vreemd want het zijn ook daadwerkelijk kleine kooltjes. In elk spruitje groeit een piepklein kaboutertje. Een kabouterbaby, zou je kunnen zeggen. Met een piepklein puntmutsje op. Met piepkleine kabouterklompjes aan. En als het een jongetje is, dan ook met een piepklein kabouterbaardje.

Als de spruit rijp is om geoogst te worden, is de kabouter groot genoeg gegroeid. Dan springt hij het spruitje vlug uit. De spruit gaat dan weer dicht, wordt in grote kisten of zakken gedaan en naar de winkel vervoerd. Vanuit de winkel komt het in je keuken en belandt op je bord.

Soms, heel soms, is de kabouter in slaap gevallen en heeft niet gemerkt dat hij uit de spruit had moeten springen. Luister dus altijd even goed voordat je een spruitje opeet, of je niet iemand zachtjes hoort snurken daarbinnen…

Een kort en waargebeurd verhaal

“Red me!” riep de prinses, toen zij de sterke armen van haar koene prins zag.

“Oh-oh” zei de prins.

De Duif die mooi wilde zijn

Een duif was verdrietig omdat hij maar een simpele duif was. Niemand draaide zijn hoofd om, om nog eens een keer goed naar hem te kijken. Niemand glimlachte bij het horen van zijn gezang. Niemand stak zijn arm uit in de hoop dat juist hij op de hand zou neerstrijken. De duif was alles behalve bijzonder. Hij was grijs. En saai. Hij viel voor niemand op.

Op een dag was er een papegaai ontsnapt uit zijn kooi. Hij vloog door de straten en iedereen zag hoe bijzonder de papegaai was. Mensen draaiden hun hoofd om en zeiden “hee, zag je dat?” of probeerden de aandacht van de papegaai te krijgen. Hoewel niemand de duif zag, zag de duif dit allemaal. Hij bewonderde de mooie papegaai met zijn rood-blauw-groene verendek en hij voelde heftige, bijna pijnlijke steken van jaloezie. Als hij zo mooi was als de papegaai, zou iedereen ook naar hem kijken.

De papegaai werd weer gevangen maar de duif kon zijn prachtige kleuren maar niet vergeten. In het park waar de duif woonde lieten mensen een zakje M&M’s liggen. De duif vloog ernaartoe en at alle rode, blauwe en groene pinda’s op. Hij at hapjes van een aardbei die was weggerold en van een smurfenijsje dat was gevallen. Aan het einde van de dag zag hij dromerig in het gras te pikken.

Zo ging het vanaf die dag elke dag. De duif keek wat de mensen in het park aan eten lieten liggen en pikte daar de rode, de blauwe en de groene dingen uit. Hij werd heel goed in van een afstandje zien wat mensen aten. Hij werd ook heel goed in stiekem stukjes eten meenemen, want de mensen zagen hem toch niet.

Op een dag vloog de duif weer een boom in bij het park toen hij ineens hoorde roepen: “hee, zag je dat?” Hij keek om zich heen om te zien of de papegaai er weer was. Maar nergens zag hij het mooie rood-blauw-groene verendek dat hij zo bewonderde. De duif vloog naar een prullenbak waar iemand een frambozensnoepje in had gegooid. Ineens kwam er een klein kindje aanrennen dat naam hem wees en riep: “Mama! Mama! Kijk eens! Mooi hè?” De duif vloog geschrokken weg en voelde zich verward. Had het kind het over hem gehad? De duif vloog naar de rand van het park en ging zitten op een hoge tak. Nog steeds zag hij de papegaai nergens.

Die avond begon het te regenen. De duif vloog naar beneden om wat te drinken uit een regenplas. Daar zag hij niet het spiegelbeeld dat hij gewend was, van een saaie, grijze duif. Hij zag veren die zo rood waren als aardbeien, zo blauw als snurfenijsjes en zo groen als veldsla!

Die avond zat iedereen verscholen voor de regen, maar de duif vloog trots rond. En iedereen kon hem horen zingen.

© 2020 Lezensvatbaar

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑